Timmerhuis, Rotterdam. Nominatie Utiliteitsbouw (cat. A) Nationale Staalprijs 2016 (foto: Ossip van Duivenbode).

Nominaties

'Dat de materiaaltoepassing maar moeilijk is los te zien van de esthetische kwaliteit, blijkt uit nog een dimensie: de emotionele. Daarom wellicht, dat bij elke editie de emotie soms hardnekkiger is dan de ratio. Onbegrip dat men niet (eens) is genomineerd en ongeloof dat een complexe opgave het soms aflegt tegen een kipsimpel concept, zijn in de wandelgangen niet zeldzaam.
Dus wordt een jury gevraagd het salomonsoordeel te vellen. De jury wordt uitgenodigd op grond van zijn deskundigheid en met klem bezworen alles opzij te zullen zetten voor zijn onafhankelijkheid. Hoe moeilijk het is dit bastion te verdedigen, blijkt elke keer weer. Het zal niet de eerste keer zijn dat een ijdel architectenbureau de prijs voortaan boycot, en een staalbouwer de directeur belt of een constructeur de hoofdredacteur aanschiet om alsnog even zijn zegje te doen.
‘Zorgvuldig, fair en stimulerend’, wilde jury-voorzitter Pi de Bruijn zijn bij zijn aantreden, vier jaar geleden. De voorzitter kent de gevoeligheden. Om daar in alle redelijkheid aan toe te voegen: ‘Ik heb wel een mening, maar modereer liever het debat.’ Debatten zijn er geweest. En na de discussies werd er gestemd. De winnaars, horen we dan vaak achteraf, zijn ‘veelal unaniem’ gekozen.
Dat schuurt. Was er dan geen splijtzwam? Tussen het Timmerhuis, OVT Arnhem en het Nationaal Militair Museum niet? De drie tenoren in de categorie Utiliteitsbouw. De laatste lijkt overigens verdacht op Mies van de Rohe’s Neue Nationalgalerie, maar akkoord, dan lopen we vast in een architectuurdebat. We gaan voor het materiaal. In Arnhem en Rotterdam hebben ze dat ook geweten. Het ‘oneindig continuüm’ van Ben en ‘de pixelberg’ van Rem waren er zonder staal nooit gekomen. En dan laten we Stadkantoor Utrecht gemakshalve buiten beschouwing.' (Henk Orsel, Bouwen met Staal 253 | oktober 2016).